Meditatie

‘Weemoed vervult mijn ziel

nu ik mij herinner hoe

ik meeliep in een dichte stoet

en optrok naar het huis van God –

een feestende menigte,

juichend en lovend.

Wat ben je bedroefd, mijn ziel,

en onrustig in mij.

Vestig je hoop op God,

eens zal ik hem weer loven,

 mijn God die mij ziet en redt.’ (Psalm 42: 5-6)

 

Pas lazen we het, na het eten. En ik schoot vol. Juist die week waren we bezig met het gebruiksplan en het aanmeldingssysteem voor de kerkdiensten in juli en augustus. Niks dichte stoet, niks feestende menigte, niks juichend en lovend. Beperkte plaatsen, looproutes, geen samenzang. Ik slikte. Oprecht verdriet om wat niet kan, en een enorme onrust omdat het allemaal zo in tegenspraak is met hoe je kerk wilt zijn. Weemoed vervult mijn ziel.

Wat kunnen we weemoedig terugverlangen naar wat we zijn kwijtgeraakt. En wat kan de pijn om wat niet meer is ons bedroefd maken, of onrustig. Als je een geliefde verliest. Als je ziek wordt. Eenzaam bent. Als je los moet laten wat je zo graag vast wilt houden. Als je wordt teruggeworpen op jezelf. Als je niet kunt wat je zo graag zou willen. Als je kinderen zich van je los maken. Als er van alles verandert in de maatschappij of in het kerkelijk leven. Als maatregelen je beperken en alle spontaniteit uit het leven lijken te trekken. Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij.

We horen de psalmdichter er mee worstelen. Tranen zijn mijn brood, en heel de dag hoor ik zeggen: waar is dan je God? Zijn belagers vragen het hem spottend, maar hij is er zelf ook mee in gevecht. Ik wil U zo graag weer loven, God. Vertrouwen dat U mij ziet en redt. U ontdekken midden in wat mij overkomt. Als een refrein herhaalt hij steeds opnieuw: vestig je hoop op God! Hij vult de hoop niet in. Vraagt niet om betere tijden, om concrete beloftes van God, om troost of moed, of om een stevige aanpak van zijn belagers. Hij bevecht in zichzelf de ruimte om God geen voorwaarden te stellen. Als dat lukt, als je niet begint bij jóuw voorwaarden, maar bij wie God voor jou wil zijn, schept het enorm veel ruimte. Dan is er geen hoop dankzij de oplossingen, maar ondánks alle verdriet en onrust. Je toevertrouwen aan God, en tegen de klippen op geloven: van U is de toekomst, kome wat komt. Vestig je hoop op God.

Wat mij raakt in deze psalm is dat het verlangen naar God voor de psalmdichter onlosmakelijk verbonden is met het verlangen naar de tempel en naar de gemeenschap van medegelovigen. Deel uitmaken van een groter geheel, samen optrekken, samen feesten, juichen en loven. Misschien is het bij de psalmdichter wel net als bij mij, toen ik volschoot bij het lezen van dit psalmgedeelte: dat waar je naar terugverlangt wordt in je gedachten altijd net een beetje mooier. Dichte stoet, feestende menigte, juichen en loven ... Maar hoe het ook zij, de tempel (voor ons: de kerk) en de gemeenschap die er samenkomt hebben waarde. Niet alleen vanwege de onderlinge ontmoeting, de aanspraak of dat samen zingen gewoon fijner is, hoewel dat zeker meetelt. Maar omdat er geleefd wordt rond het Woord van God, en uit de boodschap van Zijn evangelie. We zijn daar samen in Christus Naam, en zoeken samen een weg in Zijn voetsporen.

Op die weg hebben we elkaar nodig. We maken ruimte voor elkaar, leren van elkaar, vullen elkaar aan en helpen elkaar, spreken elkaar aan, zoeken samen naar toewijding en moedigen elkaar aan. We zoeken naar eenheid in verscheidenheid en oefenen ons geloof als levenshouding. We dragen elkaar in vreugde en verdriet. We zien naar elkaar om in Christus’ naam. Met vallen en opstaan. Maar toch. Gods weg ga je niet alleen. Dat brengen we ons keer op keer te binnen in de kerk en in de gemeenschap die er samenkomt. In kerkdiensten, in doordeweekse ontmoetingen, op alle plekken waar 2 of 3 in Zijn naam bij elkaar zijn. Dat we die waarde opnieuw ontdekken, vorm geven en beleven na een tijd waarin samenkomen in welke vorm dan ook nauwelijks mogelijk was. En dat we samen onze hoop vestigen op God.

Ds. Jeannette v.d. Boogaard-Bongers